En ook in de microgolfoven. Om nadien weer af te koelen in het zwembad.

De zesde Corsa, generatie F in Opel-jargon, bevindt zich in de laatste rechte lijn van zijn ontwikkelingsproces. Vooraleer de wagen dit najaar op de markt verschijnt, moet de compacte stadsrakker nog wel een aantal duurtests doorstaan, waarbij de Corsa wordt blootgesteld aan de meest extreme weers- en gebruiksomstandigheden. De auto zelf is voorlopig nog goed ingeduffeld, maar dankzij de beelden die Opel zopas zelf heeft verspreid, kunnen we ons wel al een beter beeld vormen van hoe die kwaliteitscontroles verlopen.

Sinds januari vertoeft een team van Opel-ingenieurs in Lapland, om er chassis, aandrijving, elektronica, verlichting en andere elementen te testen bij extreem lage temperaturen tot – 30° Celsius, op bevroren meren en besneeuwde wegen. Zo controleert Opel de betrouwbare werking van de onderhuidse regelsystemen, ongeacht ijs, sneeuw, smeltwater, asfalt of uiteenlopende gripniveaus.

We weten inmiddels al dat de Corsa, door gebruik te maken van het CMF-platform waarop ook de Peugeot 208 is gestoeld, heel wat lichter (en wellicht dus ook lichtvoetiger) voor de dag zal komen dan zijn voorganger. Om die verbeterde rijdynamiek nog wat extra in de verf te zetten, worden ook in het R&D-centrum in het Duitse Rodgau-Dudenhofen preproductiewagens tot het uiterste gedreven op het ovalen testcircuit. Doel is om de koetswerkcontrole aan hoge (Autobahn-)snelheden te verzekeren, maar ook om waardevolle data te verzamelen waarmee de afstelling van de snelheidsafhankelijke besturing, de ophanging en de reminrichting geoptimaliseerd kan worden.

Na alle snelwegtesten te hebben volbracht, mag de nieuwe Corsa in bad. Het is te zeggen: de waterbak. Niet dat de Corsa over de waaddiepte van een Land Rover Defender moet beschikken, maar zelfs in apocalyptische omstandigheden wil Opel vermijden dat er water in de auto terechtkomt om zowel motor als elektronica te beschermen tegen vocht.

Om af te sluiten gunt Opel ons nog een blik in het EMC-laboratorium in thuisbasis Rüsselsheim, een speciaal gebouwde kamer waarin de ingenieurs de ‘immuniteit’ van de elektronische systemen tegen elektromagnetische straling kunnen vaststellen. Vroeger was het alleen nodig om het gekraak van de radio te voorkomen dat werd veroorzaakt door de alternator, de ontsteking of de ruitenwissers, vandaag zitten auto’s echter tjokvol potentiële elektronische stoorzenders (ESP, matrixkoplampen, infotainmentsystemen, …), die elektromagnetische stralen kunnen overdragen via de kabelbomen of via de ether.